Dikker wordend Europa vecht terug
22-07-2008
We willen allemaal gezond afvallen. Dat is niet alleen een individueel probleem. Heel Europa zit ermee. De Europese overgewichtepidemie grijpt in een rap tempo om zich heen, ondanks alle maatregelen die zijn genomen om de gemiddelde Europeaan op een gezonder gewicht te brengen. Wat zal er moeten gebeuren om dit probleem toch het hoofd te kunnen bieden?
Begin 2007 werd bekendgemaakt dat meer dan de helft van de volwassenen in Europa overgewicht of obesitas heeft. Er lopen tegenwoordig driemaal zoveel zwaarlijvige mensen rond als twintig jaar geleden en het aantal zwaarlijvige kinderen is sinds de jaren zeventig vertienvoudigd. In 2006 maakte de Europese Unie (EU) bekend dat ongeveer zeven procent van de kosten voor de gezondheidszorg wordt besteed aan de behandeling van obesitas.
Toch worden de afgelopen vier jaren gekenmerkt door een intensief beleid tegen deze ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Zo is de etikettering van voedingsmiddelen strenger geworden, de reclame voor junkfood is aan banden gelegd en frisdrankautomaten zijn op veel plaatsen uit schoolkantines verwijderd. Helaas heeft dit alles niet tot het gewenste resultaat geleid en veel deskundigen zijn van mening dat er meer moet gebeuren om overgewicht een halt toe te roepen.
Landelijke beleidsmakers zijn zeer bezorgd over de effecten van overgewicht op de volksgezondheid en vrezen dat de overheidskosten torenhoog zullen worden indien geen verdere actie wordt ondernomen. Daarom maken zij zich klaar om hardere middelen in te gaan zetten. Ter preventie zullen de blikken met name gericht moeten zijn op grondige veranderingen in de leefstijl op het gebied van lichaamsbeweging en voeding. Aanpassingen van het dieet zullen het effectiefst uitpakken, omdat het verbranden van de overtollige hoeveelheid calorieën het Europese voedingspatroon om urenlang sporten zou vragen.
Het kost Europa echter moeite om deze ideeën om te zetten in concrete plannen, omdat er te veel politieke terughoudendheid rondom de overgewichtproblematiek heerst. De huidige regeringen hopen dat verschaffen juiste informatieverschaffing aan het publiek voldoende is om voor gedragsveranderingen te zorgen. De praktijk heeft helaas uitgewezen dat voorlichting aan Europese burgers niet voldoende is.
En toch gaan de voorlichtingscampagnes in heel Europa vrolijk door, wat in enkele gevallen ook geen slechte aanpak blijkt te zijn. Volgens Pekka Puska, directeur van het Nationale Instituut voor Volksgezondheid in Finland, is informatieverschaffing de sleutel tot het bereiken van de noodzakelijke aanpassingen van de Europese leefstijl. In 1972 stond hij aan het hoofd van het North Karelia Project, waarin boeren in oost-Finland aangemoedigd werden om bessen aan hun zuivelrijke voedingspatroon toe te voegen. In 2000 bleek dit een groot succes: het aantal gevallen van hartaandoeningen was met 73 procent verrassend ver gedaald. Volgens Patka moet daarom altijd getracht worden om de intenties van het volk te doorgronden en te veranderen door gebruikmaking van overtuigende informatie. Mensen zullen makkelijker tot gedragsaanpassingen overgaan wanneer zij weten wat het hen oplevert.
De betere informatievoorziening uit zich ook in de toegenomen aandacht voor de etikettering van voedingsmiddelen. Onder de huidige Europese wet bestaat echter geen verplichting om producten te beplakken met uitgebreide voedingsinformatie, tenzij de fabrikant kreten gebruikt zoals ‘50 procent minder suiker’ of ‘cholesterolverlagend’. Dat lijkt echter meer op reclame dan op voorlichting. Een voorstel dat veel internationale steun kreeg, is het zogenaamde ‘verkeerslicht-schema’. Door producten te labelen met een rode, oranje of groene kleur kunnen consumenten in één opslag zien hoe hoog het vet-, suiker- en zoutgehalte is. Er zijn takken van de voedselindustrie die dit systeem volledig steunen, maar er heerst ook grote weerstand onder sommige producenten die hoogstwaarschijnlijk veroordeeld zouden worden tot een rood etiket.
Een dik kind zal waarschijnlijk op volwassen leeftijd ook te dik zijn, dus preventieve maatregelen die gericht zijn op de jeugd zijn onmisbaar in een anti-overgewichtbeleid. Tot nu toe hebben vele voedselfabrikanten op vrijwillige basis beloofd om kinderen jonger dan twaalf jaar niet bloot te stellen aan reclame voor ongezonde voeding. De EU hecht veel waarde aan deze vrije wil, maar menig voedselproducent zet vraagtekens bij die vrijwilligheid. Zou er echt geen dwang aan te pas gekomen zijn indien de voedselindustrie niet mee wilde werken?
Hoewel de EU de volksgezondheid nauwlettend in de gaten houdt en in de ogen van de lidstaten soms een bemoeizuchtige benadering heeft, zal wettelijke dwang nooit op haar programma staan. Het is overduidelijk dat gezondheid boven alles gaat, maar dat neemt niet weg dat de soevereiniteit van de lidstaten te allen tijde gerespecteerd moet blijven. Ieder land heeft zijn eigen ideeën over de juiste aanpak van overgewicht, en het is de taak van de EU om deze te steunen, bij te sturen en te evalueren. Anderen de les lezen of zelfs bestraffen zou tot een onderlinge strijd leiden, terwijl alle krachten juist gebundeld moeten worden. Het dikker wordende Europa vecht kortom het beste samen terug.
Bron: Hyde, R., ‘Europe battles with obesity’, The Lancet, 28 juni 2008; 371:2160-2161.